Dat zat ie dan; meteen de dag volgend op het rijexamen was het felbegeerde roze kaartje af te halen op het stadhuis (een spoedje met extra kosten, maar dat deed ik zoonlief graag cadeau na zo’n voorspoedig verlopen traject van rijlessen, theorie-examen en praktijkexamen in exact 6 maanden) en kroop hij meteen na thuiskomst achter het stuur. Ik zat op de bijrijder stoel. Je moet er moeder voor zijn, denk ik, om dan meteen terug te denken aan (voor het gevoel dan, want het is dik tien jaar geleden)nog niet zo lang geleden dat hij nog achterin zat en tot de tanden met boekjes, papier en viltstiften was uitgerust om lange autoritten te overleven. Nu kon hij niet wachten om in de auto te stappen, stoel, spiegels en niet te vergeten z’n iPhone in de gloednieuwe handsfreehouder af te stellen, riem vast te maken en de motor te starten. We kozen ervoor om richting het Oosten de stad uit te rijden, richting een fastfood-drive en vandaar uit zouden we wel zien. Een lange rit, dat was de bedoeling. Het was de eerste keer dat ik met hem meereed; tijdens de rijlessen had ik dat bewust achterwege gelaten, maar ik zat meteen rustig. Het was duidelijk: hij had terecht het rijbewijs op zak en zat er vol zelfvertrouwen bij ook al reden we in een drukke spits. Natuurlijk maakte ik meteen een foto om op social media te plaatsen, trots als een pauw. Na dik twee uur rijden, zetten we koers terug naar huis. Deniz stelde voor om via de rijksweg terug te rijden. Ik moet er nu nog om lachen, maar mijn reactie was eigenlijk heel bizar: “ Nou, dat doen we de volgende keer wel” haastte ik me te zeggen. Op een of andere manier vond ik 120 km/uur veel te snel voor mijn 17-jarige jongen. Deze bedankte me hartelijk voor het vertrouwen en daar had hij een punt. Ik schudde de onterechte zorgen van me af en mompelde iets van “ toe dan maar ” bij de eerstvolgende oprit naar de A20. Natuurlijk ging dat allemaal prima. Sindsdien hebben we al heel wat ritten samen gemaakt. Ik geef af en toe tips maar dat is meestal over de te rijden route en het tijdig anticiperen op voorsorteren op rijstroken omdat we zonder navigatie rijden en dat heeft Deniz tijdens rijles nog nooit gedaan. Verder ben ik een dik tevreden bijrijder!
Iedere dinsdag begint mijn dag feestelijk: dan loop ik over de mart (Rotterdams voor markt) naar kantoor. De marktkoopmannen zijn dan nog bezig hun negotie te etaleren, sommigen zijn nog niet eens gearriveerd, anderen al volledig operationeel.
Zo vroeg een man van pak ‘m beet tachtig vanmorgen om 08:05 uur aan de ‘gebakken-vis-aanbieder’ om een portie gebakken mosselen. En dat kon; ieder zijn meug.
Een eindje verderop passeerde ik een vierkant marktkraampje, zo eentje waar vooral standwerkers gebruik van maken. Er stond een schriel oud mannetje van dik zeventig bij, hoedje op, beige regenjas aan en een sigaarstompje in de mond. “De Theegigant” las ik op het spandoek dat boven zijn kleurrijke en ruime uitstalling theezakjes hing, maar noch de kraam, noch het mannetje zou ik als gigantisch typeren.
Het etaleren van groente en fruit is een vak apart. Vooral de Turkse marktlui kunnen er wat van. Bij één van de kraampjes trof ik glimmende aubergines aan. Een prachtige partij lange ranke aubergines, bij uitstek geschikt om er Imam Bayaldı mee te bereiden (aubergines gevuld met rijst en groenten uit de oven).
‘Ne kadar bu patlıcanlar?’, vroeg ik en ik zag hem verrast opkijken nu ik mijn vraag over de prijsstelling van deze groente in het Turks stelde. Hij antwoordde mijn vraag niet, maar stelde een wedervraag. Waar leerde ik Turks? Daar gaf ik nou weer geen antwoord op. Na het horen van de prijs (2 Lira) vroeg ik wat de aubergines zouden kosten op het eind van de markt; ‘en son ne kadar?’ Hij gesticuleerde gebrek aan alwetendheid en prevelde een zin in het Arabisch die zoiets betekent als: Alleen Allah, de almachtige, weet wat er aan het eind van de dag aan de hand is. Begripvol glimlachte ik en wenste hem ‘Hayıl Isler’ (goede zaken) toe.
Een loopje van hooguit tien minuten, maar een leuker begin van de dinsdag in hartje Rotterdam is ondenkbaar.
Vanmorgen liep ik zoals gebruikelijk over de Meent naar het kantoor waar ik werk. Het is er een janboel; er wordt hard gewerkt aan verfraaiing. De Meent is de komende 8 maanden waar Rotterdam bekend om is: een opgebroken straat.
Ver voor me loopt een man. Hij zeult met een koffer, een trolley en een wat onhandig ingepakte plastic draagtas van de Mediamarkt, die door een bobbel steeds hinderlijk tegen zijn dijbeen stuitert. Zeer regelmatig laat hij trolley en koffer los om met gebogen hoofd tot stilstand te komen. Van een afstand lijkt hij nog het meest op een mannelijke versie van een ‘baglady’.
Door zijn regelmatige pauze, kom ik langzaam maar zeker dichterbij. Al snel moet ik de gedachte ‘bagman’ opzij zetten. Hij draagt namelijk een smetteloze kaki chino, een keurige regenjas en zijn haar is goed gekapt. Terwijl ik zijn outfit inventariseer, pauzeert hij nog een aantal keren, steeds met gebogen hoofd, waardoor ik hem uiteindelijk in haal.
Op het moment dat ik hem passeer, bindt één van de wegwerkers een gesprek met hem aan: “Zo ga je op vakantie?” vraagt de man in het oranje hesje. “Verre van dat” is het antwoord van de man die, nu ik stiekem een blik opzij heb kunnen werpen, een veertiger blijkt te zijn, die nogal onhandig twijfelt of hij zijn telefoon of de koffer weer ter hand zal nemen. “Ik ben er eruit gezet”.
“Door de woningbouwvereniging?” vraagt de wegwerker door. “Nee, door mijn wijf …”; zijn woordkeuze onderstreept de enerverende realiteit.
“En nu?”, de wegwerker wil het hele verhaal, zover is duidelijk en als ik eerlijk ben, is mijn interesse nu ook gewekt en plaats van in straffe pas door te lopen, veins ik te willen oversteken.
“Tjsa … ik heb al 15 berichtjes naar mijn vriendin gestuurd, maar die reageert niet”.
Wilma van Raamsdonk: Een schrijvende reiziger, een reizende schrijver, maar nu nog even niet ...
Laatste reacties